Reacties uitgeschakeld voor Werkingsbudgetten voor het gewoon basis- en secundair onderwijs

Werkingsbudgetten voor het gewoon basis- en secundair onderwijs

Door | 18 juni 2015 | Nieuws

Bron: Persberichten Rekenhof
Terry Weytens
Marc Galle
Cel Vlaamse Publicaties

Sinds het schooljaar 2008-2009 kent de Vlaamse overheid aan de scholen van het gewoon basis- en secundair onderwijs werkingsbudgetten toe op grond van leerlingen- en schoolkenmerken. Uit een onderzoek van het Rekenhof blijkt dat de berekening van de werkingsbudgetten complex is en weinig transparant, maar correct verloopt. Het toezicht op de aanwending van de werkingsmiddelen is voor bijsturing vatbaar. De overheid beschikt niet over een methode om een globaal zicht te krijgen op de aanwending van de werkingsbudgetten. Het Rekenhof heeft op basis van de besteding door de scholen onderzocht of de weging van de school- en leerlingenkenmerken in de financiering adequaat is. De aanwending van de werkingsbudgetten blijkt slechts beperkt afhankelijk te zijn van de leerlingenkenmerken.

Toekenning
Voor het schooljaar 2013-2014 bedroeg het globale budget voor de werkingsmiddelen in het gewoon basisonderwijs bijna 450 miljoen euro en in het gewoon secundair onderwijs 423 miljoen euro. In het basisonderwijs wordt daarvan 64,5 miljoen euro toegekend op grond van vier sociaaleconomische leerlingenkenmerken (SES-kenmerken: de buurt waarin de leerling woont, het opleidingsniveau van de moeder, de thuistaal en het al dan niet verkrijgen van een schooltoelage). In het secundair onderwijs gaat het om 43 miljoen euro. Het grootste gedeelte van het budget wordt toegekend volgens de schoolkenmerken: onderwijsniveau, onderwijsvorm en studiegebied. Binnen de globale budgetten krijgt het officieel onderwijs ook middelen om levensbeschouwelijke vakken te geven en het Gemeenschapsonderwijs om neutraal onderwijs in te richten.
De berekeningen van de werkingsbudgetten zijn complex, maar het risico op fouten is gering omdat de berekeningen nagenoeg volledig zijn geautomatiseerd. Voor de kenmerken opleidingsniveau van de moeder en thuistaal steunt het uitbetalend agentschap AgODi echter op verklaringen op eer van de ouders. Het AgODi maakt ook niet alle parameters bekend. De huidige financiering is wel voldoende stabiel, zodat de scholen weliswaar geen nauwkeurige, maar wel een ruwe raming kunnen maken van het te verwachten werkingsbudget op basis van het leerlingenaantal. Door de invloed van de leerlingen- en schoolkenmerken verschilt het gemiddelde werkingsbudget per leerling wel sterk van school tot school: het hoogste is zowel in het basis- als in het secundair onderwijs meer dan het dubbele van het laagste.

Toezicht
De rapportering over de financiële verrichtingen van de scholen verschilt per net. De controle die het AgODi uitvoert, verdient bijsturing. Het toezicht kan meer worden gebaseerd op een risicoanalyse en op de controles die eigen zijn aan elk net. Ook de onderwijsinspectie kan vanuit het oogpunt van de onderwijskwaliteit input geven voor de risicoanalyse, maar er zijn geen afdoende afspraken met het AgODi. De verantwoordingsplicht over het financieel beheer en de aanwending van de middelen is ten aanzien van participatieorganen van de scholen weinig of niet uitgewerkt.

Aanwending en doelstellingen
In het algemeen is de financiële toestand van de scholen goed, maar er zijn sterke verschillen tussen de scholen. Leerlingenbijdragen vormen een groot deel van de inkomsten van de scholen. Door de decretaal verplichte kostenbeheersing in de basisscholen (maximumfactuur) liggen de leerlingenbijdragen er lager en zijn de uitgaven voor didactisch materiaal die de basisscholen met werkingsmiddelen moeten financieren, hoger dan in de secundaire scholen. In het vrij gesubsidieerd onderwijs is de schoolinfrastructuur (investeringen en onderhoud van de schoolgebouwen) een grote uitgavenpost.
De Vlaamse Regering beschikt niet over een methode – wat het decreet vereist – om globaal of per onderwijsnet een beeld te krijgen van de aanwending van de werkingsmiddelen. Het verschil in financiering of subsidiëring tussen het kleuter- en het lager onderwijs spoort niet met het beperkte verschil in de werkelijke kosten. Om de verschillende financiering van de onderwijsvormen en studiegebieden te beoordelen, bieden de schoolboekhoudingen onvoldoende kostprijsgegevens.
De financiering volgens leerlingenkenmerken moet de scholen met SES-leerlingen toelaten zich breder te profileren met bv. een aanvullend sociaal-cultureel aanbod, bijkomende leerlingenbegeleiding, extra investering in de nascholing van leerkrachten en in sociale tolken die de ouderbetrokkenheid kunnen stimuleren. De bestedingspatronen van de scholen verschillen echter weinig volgens het aantal SES-leerlingen. De extra kosten leunen sterk aan bij armoedebestrijding. De werkingsmiddelen worden erg beperkt ingezet voor extra pedagogisch personeel. Enkel bij de scholen met veel SES-leerlingen gaven de directies een beeld van een gelijkekansenbeleid. Het Rekenhof beveelt aan het gewicht van de leerlingenkenmerken in de berekening van de werkingsbudgetten te herbekijken en te overwegen de SES-middelen eventueel selectiever toe te kennen of de middelen toe te kennen door een vergroting van de personeelsomkadering.
Sedert de invoering van de financiering volgens leerlingenkenmerken is het aantal scholen met een goede sociale mix gedaald, behalve voor het kenmerk thuistaal. Een betere sociale mix in de scholen was nochtans de bedoeling van de nieuwe financieringsregeling.

 

 

Reactie van de minister
De Vlaamse minister van Onderwijs deelde in haar reactie op het Rekenhofrapport mee dat het een nuttig instrument is om samen met de administratie te bekijken welke elementen kunnen worden bijgestuurd.
Rekenhof, juni 2015 2/2

1208 total views, 2 today